Ongeïnteresseerde pubers of krantlezers?

Docent worden of wetenschapsjournalist? Toen ik voor die keus stond, leek die simpel. Docent zijn leek mij een vreselijk vak. Iedere dag opnieuw ongeïnteresseerde irritante pubers voor je neus. Ongeïnteresseerde pubers bij wie de leerstof toch naar binnen gestampt moet worden. Als het niet goedschiks wil, dan maar kwaadschiks. Nee, dan kun je maar beter wetenschapsjournalist zijn. Dan heb je tenminste een publiek die op je verhaal zit te wachten. Dácht ik.

Dat ik ondanks deze negatieve gedachten tóch voor de klas ben beland, is meer geluk dan wijsheid geweest. Geluk ja, want de praktijk blijkt heel anders te zijn. Die ongeïnteresseerde pubers bestaan wel, maar ze blijken een minderheid te zijn. In ieder geval onder mijn leerlingen. Want of je nu voor een eerste klas staat of een vierde klas, de vragen zijn niet van de lucht. Vooral als het gaat over het eigen lichaam of over de natuur om ons heen, vliegen de vingertjes in de lucht. Soms lijkt het wel of ze alles willen weten. In ieder geval meer dan ik weet.

Ik ben docent en wetenschapsjournalist geworden. Waarschijnlijk is het door die combinatie dat die geïntereseerde kindertjes me blij maken. Blij, omdat ook de toekomstige generatie geïnteresseerd is in wetenschap. Blij, omdat deze gretigheid naar kennis in kinderen, vermoedelijk ook in volwassenen zit. Ook als ze het niet zo laten merken. Ook, als mensen klagen dat ze tóch niets van wetenschap begrijpen. Ook als ze de wetenschapsbijlage van de krant maar weer overslaan. Juist dan kunnen we veel van die geïnteresseerde kinderen leren. Want zoals die kinderen afhaken bij een te moeilijke of een te lange uitleg, zo doen volwassenen dat nog steeds.

Natuurlijk, eerlijk is eerlijk, die lieve pubertjes zijn niet altijd schatjes. Ze zijn niet altijd geïnteresseerd. Maar het kán wel. Zoals ik mij als docent steeds afvraag waaróm leerlingen de ene les niet willen luisteren en de andere les allemaal met vingertjes in de lucht en rode oortjes meedoen met de les, zo moet ik me ook als wetenschapsjournalist steeds afvragen: waaróm zou iemand dit willen lezen. Waaróm wil een leek dit verhaal lezen?

Waarom lees jíj dit nog steeds? Ik kan drie redenen bedenken:
1. Je bent een trouwe lezer, die de moeite neemt alles wat ik schrijf te lezen (bedankt, maar voel je dan vooral niet verplicht!)
2. Je bent een docent en herkent je in dit verhaal, omdat jij ook zo blij wordt van die omhoogschietende vingertjes
3. Je bent wetenschapsjournalist en bent benieuwd wat die ongeïnteresseerde pubers met jóu vak te maken heeft.

Waarschijnlijk is nummer 2 of 3 het geval. Daarmee bewijs ik dan direct mijn stelling, die ik ook probeerde te bewijzen met het verhaal over die pubers: als je maar dichtbij de lezer komt, als je maar aansluit bij hun leefwereld, dan is de interesse er wel. Je moet hem alleen zien te prikkelen.